Review

Het gevaar van angst. Hypochonderen in Fukushima

by Tinkebell

In 'Het gevaar van Angst. Hypochonderen' in Fukushima gebruikt kunstenares Tinkebell het in 2011 door de kernramp  getroffen Japanse gebied als haar persoonlijke speeltuin

Published date
Copyright
Read time
9 minutes

'Het gevaar van angst. Hypochonderen in Fukushima' is het nieuwe boekje van Tinkebell. Jullie hebben vast wel gehoord van Tinkebell. Tinkebell is een zelfbenoemde kunstenares, vooral bekend van toen ze een tas van haar zelfgewurgde kat maakte en toen ze iets met hamsters deed. Tinkebell is lekker tegendraads en krijgt dan ook vaak hate mail. Daar heeft ze dan weer een boek van gemaakt.

Back to top

Het gevaar van angst

Nu heeft ze van de stichting Green Cross geld gekregen om meerdere keren af te reizen naar Fukushima, waar zich als gevolg van de tsunami in 2011 een kernramp voltrok. Ze is zeven weken in Japan geweest en heeft daar een boekje over geschreven getiteld Het gevaar van de Angst. Hypochonderen in Fukushima. Tinkebell’s doel is simpelweg “de wereld beter te maken” (91).

De kernramp rond de kerncentrale Fukushima I in Ōkuma was het gevolg van de zeebeving en daaropvolgende tsunami van 11 maart 2011. Meer dan 100.000 bewoners van het gebied zijn destijds geëvacueerd. Volgens de World Nuclear Association is niemand overleden aan de gevolgen van de straling, maar de berichtgeving over stalingsgerelateerde ziektes in de regio is tegenstrijdig.

Green Cross, in 1990 opgezet door Mikhail Gorbachev, heeft meer dan twintig jaar ervaring met het verlenen van hulp aan de slachtoffers van Chernobyl. De organisatie helpt de slachtoffers van Fukushima sinds 2011. Ze doet metingen van kernenergie, gaat in gesprek met experts en geeft voorlichting. Waarom nou net Tinkebell werd uitverkoren om de nobele doelen van Green Cross op te tekenen is onduidelijk, want met dit soort proponenten heb je als organisatie geen tegenstanders meer nodig.

Back to top

Tinkebell is een lekker gek mens

Het boekje is mooi uitgegeven. Tot zover het positieve gedeelte van deze recensie. Het is namelijk ook belabberd gestructureerd en heeft een spanningsboog van niks. De stijl is gemaakt-chaotisch met veel “oh sorry dit had ik eigenlijk veel eerder moeten vertellen” en “sorry dat ik zo van de hak op de tak spring”. Tinkebell heeft blijkbaar geen backspace-toets. De implied reader lijkt een zesjarige te zijn, die constant moet worden vergast op infantiele vergelijkingen om de toch al summiere informatie over te brengen: “Stel, die tennisbal is radioactieve straling. Je hebt dus radioactieve straling in je woonkamer” (66). Zinnen als de volgende zijn illustratief:

Wat verder belangrijk is om vooral niet te vergeten (ik herhaal het nog maar even) is dat ik natuurlijk, ondanks mijn paar dagen ondergedompeld zijn, een leek was (inmiddels weet ik er natuurlijk wel veel meer van dan toen. Ik bedoel, ik ben nog lang geen expert, laat staan een wetenschapper, en ik ambieer ook niet om dat ooit te worden, maar ik weet er wel iets meer vanaf [sic] dan de gemiddelde mens nu, dus ik zou je, mocht je daar interesse in hebben, wel iets over de basis van het hele principe kunnen vertellen en met terugwerkende kracht kan ik je ook meer over de daadwerkelijke situatie daar op dat moment vertellen, maar dat is allemaal achteraf en deed er op dat moment dus niets toe). (58)

Ik neem aan dat ze denkt dat dit schattig en excentriek is, maar het werkt niet. Anders dan haar naam doet vermoeden is Tinkebell namelijk gewoon een volwassen vrouw van veertig en, erger, er zijn mensen die geld hebben betaald voor dit boekje.

Het rampgebied is één grote speeltuin voor Tinkebell.

Tinkebell lummelt eigenlijk de hele tijd maar een beetje doelloos rond in het besmette gebied. Tussendoor schrijft ze een ellenlange brief naar een ex-lover die haar niet meer wil spreken, en haar brieven ongeopend weggooit. Waarom dat relevant is voor de lezer blijft een raadsel – het klinkt vooral als iets dat ze zelf een plekje moet geven.

Maar goed, ze heeft dus alle tijd voor spannende avonturen rondom Fukushima en “bovendien is het niet zo dat er elders iemand op me zit te wachten”. De kunstenares plukt hier en daar een bloemetje (controversieel want dat mag helemaal niet!) want ze houdt van bloemen plukken. De organisatie probeert de bloemetjes af te pakken maar ze stopt ze in haar onderbroek. Als ze een (waarschijnlijk rabiate) wasbeer in een kooitje ziet laat ze hem vrij want daar houdt ze niet van. Het maakt haar niets uit dat haar Japanse vrienden (die haar voeren, rondrijden, vertalen, informeren en alles voor haar doen) haar daardoor niet meer willen spreken. Tinkebell doet aan origami. Ze vindt ook heel vaak een klavertje vier. Ze maakt stiekem foto’s van de kerncentrale terwijl dat helemaal niet mag!

Het rampgebied is, kortom, één grote speeltuin voor haar. Ze tekent elke dag Japanse karakters op haar hand met een pen. Ze maakt selfies die ze op Instagram post, ze maakt Youtube filmpjes en checkt doorlopend de boze reacties daarop. Een of andere onverlaat geeft haar een geigerteller en we moeten vervolgens keer op keer lezen hoe ze overal de straling meet. ‘Oh het is toch hoger! Oh nee wacht het valt wel mee.’

Ik mat de straling nogmaals in de auto. 1,80 microsievert per uur. Geen idee hoe dat kon. Dubbelcheck: 1,45 microsievert per uur. Nogmaals voor de zekerheid: 1,80 microsievert per uur. Laatste keer: 1,70 microsievert per uur. (151)

De verveling is voelbaar op de pagina.

Back to top

Tinkebell denkt dat het waarschijnlijk allemaal wel meevalt

Het ‘statement’ dat hier gemaakt wordt kan worden samengevat op een post-it, en dan heb je nog ruimte over. De strekking: ‘er is wel wat radioactieve straling maar het valt waarschijnlijk wel mee alleen weet je dat nooit helemaal zeker en dat veroorzaakt angst en stress en dat is misschien wel erger dan de straling zelf’.

Wat ik nu denk is dat het feit dat ik voorafgaand aan deze reis niet was ingelezen maakt dat ik redelijk in staat was om te levelen met de gedachtegang van bewoners die zomaar ineens moesten vluchten voor iets waarvan ze eigenlijk niet wisten wat het was. (59)

Voor iemand die zich laat voorstaan op haar tegendraadse en autonome karakter, levert Tinkebell verrassend weinig statements of zelfs maar meningen. De lezer moet het vooral doen met dit soort vaagheden.

Ergens heel abrupt op een derde van het boek krijgen we dan eindelijk wat verhalen van getroffenen. Verhalen die een tolk voor haar vertaald heeft, die typografisch apart staan van haar doorlopende relaas, en waar ze vervolgens niets mee doet. Tinkebell is dan ook de eerste om toe te geven dat ze moeilijk haar aandacht erbij kon houden. “Het was zo aandoenlijk dat ik vergat te luisteren wat ze vertelde” (34); “Toen ik alles voor de tweede keer had aangehoord…” (35); “Ik kende de riedel wel een beetje” (37). Ze slaagt er nergens in haar desinteresse te verbergen.

Eigenlijk is Tinkebell het echte slachtoffer, ze offert zich op voor haar wereldverbeterende activiteiten.

En dan gaat het weer over het échte onderwerp van dit boekje: Tinkebell zelf. Ze “geloof[t] ontzettend in het belang van het vertellen van verhalen” (35). Voornamelijk haar eigen verhalen. Ze is erg onverschrokken, avontuurlijk en tegendraads, hoewel ze toch ook weer constant bang en zenuwachtig is – die paradox lijkt zo’n beetje haar brand te karakteriseren. Ze is bang voor spinnen, voor instabiele gebouwen, en vooral voor het gevaar van straling: “De adrenaline ging door mijn lijf en ik heb me de hele weg afgevraagd hoe erg ik nu kanker ging krijgen” (68). Ze gaat in tegen heersende normen (gaap). Ze gebruikt graag haar “charmes” om dingen gedaan te krijgen.

Het is discutabel dat er blijkbaar organisaties zijn die mensen als Tinkebell, die volgens mij vooral bekend is geworden door een talent om aversie op te wekken, betalen om op deze wijze rond te hangen, aan origami te doen en bloemetjes te plukken. Ze lijkt haast trots op haar gebrek aan kennis:

Waar ik nog nooit zo over had nagedacht, maar wat ik nu duidelijk aanvoelde, ondanks mijn dichtvallende ogen, is dat kernenergie en de kernramp bij Fukushima erg gevoelige onderwerpen zijn. Zeker bij mensen die er iets van af weten. (30)

Het blijkt maar zeer de vraag of Tinkebell hier nou wel zo autonoom haar onafhankelijke mening verkondigt. Ze schaart zich veilig achter de organisatie die haar betaalt, trekt de zouteloze conclusie ‘het valt allemaal wel mee’ en gooit er nog een truïsme tegenaan over de nadelen van angst en stress. Er wordt geen kritische vraag gesteld. Makkelijk is het wel, want ze kan vrolijk doorgaan met self-branding op social media en hoeft zich niet te laten informeren om haar tegenstanders met feitenkennis te bestrijden.

Back to top

Tinkebell doet behalve origami ook nog aan racisme en seksisme

Dat is allemaal al erg genoeg, maar als dat alles was had ik misschien deze hele recensie niet geschreven (want: don’t feed the troll). Gedurende het hele boekje zet Tinkebell zichzelf neer als een zeer onsympathiek individu met schijt aan de regels van de cultuur van het land dat haar welkom heet. Ze heeft een hekel aan bijna iedereen die ze tegenkomt, zoals tolken, kunstenaars en activisten.

Waar het mijns inziens pas echt goed mis gaat is bij haar houding jegens de Japanners. De mensen hebben een vervelende stem of kijken nors of hun Engels is niet goed genoeg. De appartementen zijn vies, de koffie ook, het is een troepje overal, de heftige smaak van lokale gerechten doet haar kokhalzen. Ze wil eigenlijk haar schoenen niet uitdoen. De geheel verzorgde studiereis, het rondgereden worden, het is “behoorlijk intens” (56) allemaal.

Eigenlijk is Tinkebell het echte slachtoffer, ze offert zich op voor haar wereldverbeterende activiteiten. Japanners zijn indirect, onoprecht, ‘beleefd omslachtig’. De directe en luidruchtige Tinkebell vindt dat maar lastig maar soms “speelt [ze] hun beleefdheden mee” (46).

Op een bepaald punt slaan haar komisch bedoelde representaties van Japanners om van ‘gewoon’ onsympathiek naar ronduit racistisch. Hier zijn het vooral de mannen die het moeten ontgelden. Ze beschrijft ze als een “levende mangafiguur” (83), “playmobilpoppetjes” en “Freggels” (122). Ze vergoelijkt haar vergelijkingen met de gedachte dat deze “werkmannetjes,” zoals ze ze consequent noemt, haar waarschijnlijk op hun beurt als een wandelende Barbiepop zien. Die rederering raakt natuurlijk kant noch wal: zowel vanwege een lange traditie van problematische en zogenaamd komische culturele representaties van Aziatische mensen die ze zo continueert, als vanwege het feit dat ze haar haatdragende gedachten in boekvorm heeft uitgegeven in plaats van ze alleen te denken.

Back to top

Het dieptepunt

Het dieptepunt van deze leeservaring werd voor mij bereikt wanneer ze, uit verveling – de drijfveer achter dit werkje en waarschijnlijk haar hele oeuvre – een hotelmanager verleidt (“Wat bezielde me? Want ik wist heus wel wat hij wilde en eigenlijk wilde ik het niet”) en vervolgens hun seksuele encounter op een ronduit vernederende en xenofobe manier beschrijft: “Gekreun in het Japans klinkt echt als de geluiden uit Pokémon, viel me op”.

Tinkebell laat zich nemen en wacht daarna tot hij in slaap valt: “Ik heb hem van me afgerold, waarna hij me nog een keer aankeek en vermoedelijk de enige woorden Engels die hij kende tegen me uitsprak: “I love you”. Drie seconden later lag er een beer naast me te snurken”. Vervolgens bedenkt ze “dat dit ergens ook gewoon hilarisch is”. Ze maakt een foto van de naakte hotelmanager die ze naar al haar vriendinnetjes stuurt. De aandacht in de vorm van “schaterlachende Whatsapp reacties” doet haar dan weer goed. Ze voelt zich “een soort vrouw van de wereld.” “Het was gemeen, maar ik voelde macht” (110).

Ik vraag ik me af wat de reacties zouden zijn als een Nederlandse man dit over een Japanse vrouw zou schrijven. Wat het antwoord op die vraag ook is: dit is niet hilarisch. Het is triest dat mensen als Tinkebell een podium krijgen om hun persoonlijkheidsstoornissen op deze manier te etaleren, en bij een respectabele uitgever nog wel. Er zijn zoveel talentvolle Nederlandse schrijvers en journalisten die deze taak tot een goed einde hadden kunnen brengen.

Het werkje eindigt met de mededeling dat ze nog een brief gaat schrijven aan de arme drommel die haar brieven niet meer open wil maken. Ik snap inmiddels helemaal waarom. Om er in Tinkebell’s eigen woorden een eind aan te breien, met een citaat dat haar oeuvre aardig samenvat:

Ik [heb] er niets op tegen wanneer mensen al hun tijd besteden aan het agenderen van belangrijke zaken. Voorwaarde is echter (wat mij betreft) dat dat dan constructief is. Om constructief te kunnen zijn heb je een bepaalde mate van inzet van hersencapaciteit nodig en je moet over enige diplomatieke kwaliteiten beschikken die je bereid bent te gebruiken. Voldoe je niet aan die combinatie, dan kan je beter iets anders gaan doen met je tijd. (166)

Back to top

Inge van de Ven works as an Associate Professor of Culture Studies at Tilburg University.

More from this author

Content ID

Published date